Irre God joi das mien vaer

Ver voor de grote supermarkten hun intrede deden, togen mijn ouders, in de herfst, met hun oude Fordje vol geladen met mudzakken aardappelen, richting de Zaanstreek en dorpen in de omgeving van Alkmaar. Het was de tijd dat veel mensen een voorraadje in hun kelder hadden liggen, zodat er genoeg was om de winter door te komen en te wachten tot de nieuwe oogst.

De computer voor individuele users stond nog in de kinderschoenen. Internet bestond nog niet en van TomTom had niemand ooit gehoord. We moesten onze weg zien te vinden met behulp van een wegenkaart en onze Hollandse mond.

Een van de nieuwe klanten, een vrolijke vent uit Egmond aan Zee, legde lang en omstandig uit hoe we moesten rijden, maar in het dorpje aangekomen konden we niet wijs worden uit de hoeveelheid van aanwijzingen.  Om zich heen kijkend zag mijn vader een groepje voetballende jongens en besloot “in het kader van, wie niet waagt wie niet wint” te vragen hoe we moesten rijden.  ” Hallo jongens kunnen jullie mij vertellen waar Arie Zwart woont?” vroeg hij aan het naderende groepje.  Een voor een schudden de jongens ontkennend het hoofd ” Nooit van gehoord” mompelde de brutaalste van het stel.  ” Weten jullie dan misschien wel waar Arie van de Reignek woont? ” probeerde mijn vader nog een keer.  “Irre God joi das mien vaer” riep een van de jongens uit. Arie was toen snel gevonden.

 

De digiwereld

“Volgens mij is dit de goede” roept schoonzoon glunderend, terwijl hij op zijn rug, met zijn hoofd in het kastje, onhandig, in het halfdonker, met een schroevendraaier loopt te friemelen. Triomfantelijk duikt het hoofd weer uit het kastje op en haalt het aansluitpunt van een telefoonlijn tevoorschijn, in tien stukken, want het ding viel, na het losdraaien van enige schroeven, “zomaar” uit elkaar. Enige minuten later komt hij verslagen melden dat het toch niet de goede was en was het kabelaansluitpunt van onze tv, met de grond gelijk gemaakt. Ondertussen leven wij nu als holbewoners uit het jaar nul, zonder tv, internet en telefoon. Hoe deden we dat 15 jaar geleden, toen er nog nauwelijks internet bestond, of 50 jaar geleden, toen alleen een enkele ziel televisie in huis had staan, waar wij, kinderen uit het dorp, tegen betaling van een stuiver, op zaterdagmiddag, een uurtje mochten kijken. Zuchtend en kreunend ligt de jonge garde zich overduidelijk te vervelen. Dan toch zelf maar een poging wagen en gewapend met schroevendraaier pruts ik het kabelaansluitpunt weer in elkaar. “Volgens mij moet het zo ongeveer weer een beetje werken” roep ik opgewekt. En warempel de televisie komt weer tot leven, alleen waar de telefoonaansluiting zich dan wel bevindt is me een raadsel, in het kastje is het een wirwar van kabels en aansluitpunten, indertijd door een op hol geslagen electricien aangelegd, niets wat echt herkenbaar is, omdat afdekplaatjes veelal ontbreken. Gelukkig weet jongste zoon de volgende morgen raad, hij ziet bij daglicht iets wat hem bekend voorkomt en we landen van het stenen tijdperk binnen enkele seconden weer in de digiwereld.

Over prietpraat en kleine kinderen

Kinderen hebben soms de leukste uitspraken, een, niet aan te tornen kinderlogica, die bij volwassenen op de lachspieren werkt.
Op mijn vraag waarom kleinzoon niet op de fiets naar school wil, antwoord hij met een ernstig gezicht ” nou oma, omdat mijn voeten niet willen fietsen”.

Vaak kijk ik het schoolplein rond en constateer ik, dat er velen met mij, tot die generatie vrouwen behoort, die niet snel kinderloos zullen zijn.
Nog voor mijn laatste kind de deur uit was, stond hier de box met kleinzoon al in de huiskamer. Het lege nestsyndroom, is iets waar ik alleen maar van kan dromen, het zwarte gat, soms zou ik er wel eens even in willen vallen, om op adem te komen. Het is niet voor niks dat wij vrouwen van in de 60 geen baby’s meer produceren. Een enkeling, die een beruchte Italiaanse gynaecoloog hebben bezocht, daar gelaten, maar ik wil hier geen discussie aanzwengelen over het ethisch verantwoorde moederschap. Daar zijn andere knappe koppen veel beter voor toegerust.

Nee ik zou wel eens een poosje een ouderwetse grootmoeder willen zijn, zo een die haar kleinkind tot in de grond toe verwend, waar een extra snoepje of ijsje niet verboden is, waar naar hartenlust geknoeid en gerommeld mag worden, omdat er na het kinderbezoek weer even flink opgeruimd wordt, zodat alles de eerste weken weer spic en span is. Ben je naast grootmoeder ook opvoeder, dan liggen de kaarten wel iets anders

 

De oude dame

Wat aarzelend stapt ze in, haren netjes gekapt, een vleugje oogschaduw op de oogleden, en de lippen zorgvuldig gestift.
Een gevoel van grandeur hangt, ondanks haar frele verschijning, en het voortduwen van een rollator, om haar heen.
Ik schat haar een jaar of 80, misschien zelfs nog iets ouder. Nog voor ze kans ziet de rollator ergens te parkeren, rijd de bus alweer weg en moet ze zich vastgrijpen om niet te vallen. Een toeschietende medepassagier wordt vriendelijk doch beslist met een “kind ga zitten, dadelijk val je nog” weg gewuift. Iets wat vele andere medepassagiers een gniffelend gelach ontlokt.
Gelukkig laat de andere vrouw zich niet ontmoedigen en helpt de oude dame naar een zitplaats naast me. Dankbaar laat ze zich met een zucht op het bankje zakken.
“Het is toch wat” zegt ze, terwijl ze een briefje van twintig stevig in de hand houd “nou heb ik die brave borst nog niet eens betaald”.
“Daar merkt die brave borst niks van hoor, het komt toch niet in zijn eigen portemonnee terecht” zeg ik met een knipoogje tegen haar, wat andermaal een grijns ontlokt aan passagiers binnen gehoorsafstand.
“Weet je” zegt ze trouwhartig “thuis moet ik ook nog een paar van die briefjes hebben, maar ik heb geen idee waar ik ze gelaten heb, misschien in de zak van mijn andere jas, maar ik weet het echt niet meer, hebben jullie dat nou ook wel eens?”. Glimlachend kijk ik haar aan “natuurlijk hebben wij dat ook, wij zijn thuis voortdurend de sleutels kwijt, wat in huis wegraakt komt ook weer in huis tevoorschijn” zeg ik geruststellend.
“Ik moet naar die plaats met allemaal winkels bij elkaar” zegt ze duidend op het winkelcentrum in de buurt. Dan stopt de bus en is de oude dame op de plaats van bestemming, dochterlief helpt haar met uitstappen en krijgt een aai over de wang.
“Dank je wel hoor lieverd” zegt ze en stapt statig, achter haar rollator, het winkelcentrum binnen.

Als jij steekt, steek ik terug

Als ik zo naar buiten kijk en het waterig zonnetje zie, vraag ik me af of we dit jaar nog wel een winter zullen krijgen.  Dappere eenlingen joggen in korte broek en Tshirt aan mijn raam voorbij en dat in februari.
De energie giganten zullen hun winsten zien slinken, want wie stookt nu de kachel nog roodgloeiend met deze temperaturen. Overal om me heen zie ik de voorjaarsbloeiers hun kopjes al uit de grond steken, kleinzoon kijkt verlangend naar de slee in de schuur en ik denk ” het zit er voor jou niet in dit jaar jochie”, want het manneke gaat volgende week voor een maand naar zijn andere opa en oma in een warm tropisch land. Muggen dansen met hun irritant hoog zoemgeluid vlak naast mijn oren rond. Ook die populatie wordt amper gedecimeerd door het wegblijven van Koning Winter.  Een van hen waagt de sprong en daalt neer op mijn arm, als jij steekt,  steek ik terug fluister ik, terwijl ik hem dieronvriendelijk een mep verkoop.  Zo die zoemt niet meer.