De smaak van wraak

Noreen Ellis


“Engel wanneer zie ik je weer, in dat schattige niemandalletje van je”. “Liefs Nick”.
Verbaasd kijkt Noreen Ellis naar de display van haar telefoon. Nick ? Ze kent helemaal geen Nick, tenminste, niet dat ze zich zo een, twee, drie kan herinneren. Dit moest een vergissing zijn. Even grinnikt ze bij de gedachte aan de jongeman die het berichtje gestuurd had. Die zou zich vast en zeker opgelaten voelen als hij wist dat hij zijn whatsappje aan de verkeerde had gestuurd. Ze legt de telefoon op tafel en vergeet het voorval tot twee weken later de telefoon weer pingt.


“Liefje Noreen, waarom krijg ik geen antwoord van je. Ik heb je zo gemist de laatste weken, kom gauw.” “Liefs Nick”.
Ongemakkelijk schuift Noreen op de bank heen en weer en werpt tersluiks een blik op haar man en dan weer op haar telefoon. Dit kan geen toeval meer zijn, maar wie, waarom, wat stelt dit voor. Snel schakelt ze haar telefoon uit en gaat naar bed. Een hele maand gaat voorbij zonder dat er iets gebeurt, maar net wanneer ze zich weer een beetje veilig en niet bekeken voelt, pingt de telefoon weer.


“Noreen liefje, laat iets van je horen, ik zag je vandaag in de stad, met je man, je droeg dat veel te diep uitgesneden bloesje, waar je borsten bijna uit vallen. Ik moet zeggen schat dat ik best van sexy hou, maar dit was bijna onbetamelijk” “Liefs Nick”.
Langzaam kleurt ze rood tot in haar haarwortels en weet niet of dat nu van woede of van schaamte komt. Haar hart klopt in haar keel en ze kan een gevoel van onbehagen niet van zich afschudden. Ze was deze middag met haar man in de stad geweest om boodschappen te doen. Ze had het iets te veel onthullend bloesje gedragen. Wie hield haar in de gaten, wie stuurde haar deze berichtjes.


“Schat je bent toch niet boos op me. Ik hoor al weken niets van je. Ik bedoelde het niet zo, maar ik word zo jaloers als andere mannen naar je kijken. neem asjeblieft contact met me op.” “Liefs Nick”.
Geergerd kijkt Noreen op haar telefoon en neemt dan een besluit.
“Wie ben je en wat wil je van me” typt ze terug, zonder al teveel vertrouwen in een antwoord, want die geven stalkers toch nooit. Ze vraagt zich af of het niet verstandiger is de politie in te schakelen. Dat zou ze misschien ook wel gedaan hebben als ze niet zo’n achterdochtige echtgenoot had. Ze had niet zo dom moeten zijn om te antwoorden. Voortaan negeer ik de berichtjes gewoon, dan houd het wel op, spreekt ze zichzelf moed in. Niets is echter minder waar.

“Noreen meisje, doe nu niet net of je me niet kent, je weet wie ik ben. Wat ik wil, lieverd, dat je me dat nog moet vragen na onze nachten samen.” “Liefs Nick”. Ineens begint er iets bij haar te dagen “meisje”. Is dat niet precies wat Timmothy altijd zegt als hij zijn gelijk wil halen. “Noreen meisje”. Ze hoort het hem bijna zeggen, op die ietwat laatdunkende manier, alsof hij het tegen een kind heeft. Ze kan het niet geloven, ze wil het niet geloven, maar toch sluipt de twijfel binnen.

De smaak van wraak.

Inleiding

Donkere wolken pakten zich samen, de regen sloeg kletterend tegen de ramen en de wind trok aan tot een storm, die om het huis heen gierde. Een passend strijdtoneel voor de nacht die komen ging, een nacht waarin niemand haar zou kunnen weerhouden haar pad te volgen, niemand die de kracht die in haar verborgen lag, zou kunnen weerstaan. Die nacht zou een einde komen aan een jarenlange vergeefse zoektocht, en de stad zou zich haar nog lang heugen. Een bliksemschicht verlichtte de donkere hemel, en in de verte klonk het gerommel van een snel naderende onweersbui. Ze keek naar de traag voortkruipende wijzers van de klok, nog 20 minuten, dan zou ze klaar moeten staan op de kade. Daar zou de vrouw langs komen, op weg naar huis. Ze schudde haar hoofd om de sombere, donkere gedachten, en ook de zweem van medelijden uit te bannen. Ze kon nu niet zwak worden, alles was tot in de puntjes voorbereid, er mocht niets misgaan. Ze keek naar de voortjagende wolken in de lucht en af en toe ving ze een glimp op van de volle maan. Ze legde haar hoofd in haar nek en er kwam een zacht grommend geluid over haar lippen. Ze moest nu echt gaan. Hol klonken haar onregelmatige voetstappen in de uitgestorven straat, niet veel tijd meer, zong het door haar hoofd. De wind rukte aan haar kleren, maakte haar lange donkere haren in de war, de regen gutste in haar nek en een koude rilling gleed over haar rug. Ze worstelde om vooruit te komen in de storm, niet treuzelen nu, dacht ze, of je komt te laat, dan moet je misschien weer weken wachten, voor zich zo’n gelegenheid voordoet. Vandaag zou de vrouw alleen zijn, niet begeleid door de man, haar man. Haar kleren hingen als vormloze vodden om haar tengere gestalte, ze hield de straten nauwlettend in de gaten, speurend naar een teken van leven. Getuigen waren wel het laatste wat ze wilde, weer keek ze rond, er klonk een onderdrukte grauw, overstemd door het geluid van de storm en de regen. Het geluid van een krakende donderslag scheurde door de nacht en een flits verdreef het donker. Een seconde lang baadde de wereld in licht. Ze liep nu sneller door, ze was bijna op de plaats waar de auto stond, die ze daar die middag had neergezet, ze schudde haar natte haren uit, veegde de regendruppels uit haar ogen en haalde diep adem, terwijl ze met een sleutel in het slot morrelde. Ze hoefde alleen maar te wachten, de vrouw te volgen, de vrouw met haar panische angst voor onweer, natte wegen, het diepe kanaal, de vrouw met haar achtervolgings waanzin. Ze lachte zachtjes achter in haar keel en ontblootte haar tanden, die glinsterden in het schijnsel van het autolampje. Ze knipte het lampje uit, de vrouw kon nu elk moment arriveren, ze startte de motor en wachtte geduldig af. Haar aandacht werd getrokken door de fel schijnende koplampen van een snel naderende auto, dat moest de vrouw zijn. Haar hart begon sneller te kloppen, ze liet de auto passeren en draaide de weg op. Ze koos positie vlak achter de vrouw, knipperde met haar lichten, liet de auto iets terug zakken, reed weer op haar voorganger af. De ruitenwissers werkten op volle toeren, ze zag nu bijna niets meer door de spray van de auto voor haar. Langzaam voerde ze de snelheid nog wat op, haar adem ging gejaagd, ze was een jager die het wild rook, ze maakte een beweging alsof ze de andere auto wilde passeren en dwong hem in de kant, verder en verder, totdat de wielen hun grip verloren in het natte gras en de auto het water in schoot. Ze trapte langzaam pompend op de rem en zette de auto stil, ze stapte uit, met een wild triomfantelijke blik in de ogen, wierp ze het hoofd achterover en huilde naar de maan, ze keek naar de langzaam onder water verdwijnende wagen, terwijl zich spetterende bellen vormden aan het oppervlak . Met slippende banden stopte een auto vlak achter haar, mijn God fluisterde ze, starend in het gezicht van de vrouw.

Met een klap gooit  Sandra Ellis het boek dicht. Dat zou zij wel handiger aanpakken.