Mannen Griep

mannengriep

Elk jaar is er wel een griepgolf, zo ook in februari 2013.  Net toen ik na een val een knie luxatie kreeg en ik dus helemaal niet meer lopen kon.  “Geeft niet mam, ik kom je redden” riep oudste dochter door de telefoon. “maar ik ben wel een beetje verkouden”. Kort daarop belde de man “ik kom je helpen, ik heb toch een week vakantie” klonk het verdacht schorrig. Maar elke hulp was welkom.  Zo arriveerden die middag de hulptroepen in Huize Plukvink. Nog voor de avond viel lagen dochter en de man uitgeteld onder een dekentje op de bank en reed ik wat onhandig met sapjes op schoot  af en aan. Gelukkig knapte dochter na een dag of twee weer op, maar die moest  terug naar huis, zo’n 125 kilometer verderop. De man echter hield het langer vol. Bijna een week lang lag hij kreunend en steunend op de bank. Een typisch geval van, wie moet wie nu redden.

Nu beweren knappe koppen van het John Hopkins, Harvard en Durham Universiteit dat mannen werkelijk veel zieker zijn van griep omdat zij geen oestrogenen aan maken en daardoor een minder goed functionerend immuunsysteem hebben. Ik had altijd al gedacht dat de man het zwakke geslacht is en dat heeft niets met brute spierkracht te maken. Maar knappe koppen van John Hopkins, hoe zit dat dan met vrouwen na de overgang. Hun aanmaak van oestrogenen gaat dramatisch achteruit en toch krijgt de griep ons minder te pakken dan mannen. Of heb ik tot nu toe geluk gehad?

Mikkel in Kerstnacht

Jaren geleden hadden we een kleine smoushond. Een dondersteen van het zuiverste water, maar oh zo slim. Hij kon geen water zien of hij moest erin, het maakt niet uit of het een vijver, proelsloot, meer of de zee was. Water was water. Hij heeft ons een hoop plezier, maar ook fronsende wenkbrauwen bezorgd. Hij stond model voor het hondje in het volgende verhaal.

Fronsend kijkt Jelle van de steeds grauwer wordende lucht naar Marieke. “Weet je het wel zeker” ? vraagt hij nog eens ten overvloede. “Ga nu maar, ik weet toch hoe belangrijk het voor je is dat je die klus voor Kerst af krijgt, ik red me wel, echt” zegt Marieke vol overtuiging en lacht. “Bovendien heb ik Mikkel om me gezelschap te houden, nietwaar Mikkel?” en ze kriebelt de kleine hond achter zijn oren. Met tegenzin pakt Jelle zijn jas van de kapstok en trekt hem aan. “Weet je het zeker” begint hij nogmaals aarzelend, maar Marieke duwt hem resoluut de deur uit en sluit deze met een ferme klap. “Het wordt misschien wel heel slecht weer, wil je niet mee, dan zet ik je af bij Bartien en haal je weer op, als ik klaar ben” roept Jelle van achter de deur. “Wel nee, je bent met een paar uurtjes weer thuis” roept Marieke terug ” ga nu maar gauw, dan ga ik lekker bij de open haard het truitje voor Ukkepuk afmaken. Glimlachend legt ze een paar kussens op de bank, pookt het vuurtje in de open haard nog wat op en rolt zich in een warme deken. Haar vrouwending noemt Jelle dat altijd, maar dat kan Marieke niet deren, lekker warm is lekker warm. Na een poosje hoort Marieke het geloei van de wind boven het vrolijk geknetter van het haardvuur uit en beseft ze dat de stevige bries van eerder die middag is aangetrokken tot een heuse storm. Ze trekt de warme deken nog wat vaster om zich heen en begint langzaam weg te doezelen, totdat ze opschrikt door een denderend lawaai. Ze spitst haar oren om te luisteren en hoort het geloei van hun koeien boven het bulderen van de wind uit. Moeizaam duwt ze zich van de bank omhoog en besluit een kijkje te nemen. “Kom Mikkel” roept ze naar de kleine hond “dan gaan we even kijken of alles goed is bij Mina en Saartje”.

“Mikkel in Kerstnacht” verder lezen

De vermoeide reiziger

Surprises: Ik moet eerlijk bekennen dat wij niet zo van de surprises in het klein waren. Bij ons geen in watten en stroop verpakte rommelige rotzooi. Als er dan toch surprises gemaakt moesten worden, dan werd dat groots aangepakt. Een item waar alle pakjes voor de hele familie in pasten.

De eerste keer werd er wekenlang in stilte geknutseld als de kater en de muisjes van huis waren. Er werd geknoeid met papier-mache tot er zich een gezicht vormde, dagen lag het op een geheime plek te drogen tot het geverfd kon worden. Uren lang werd er witte wol uitgeplozen en gekamd. Voorzichtig werden de baard en snor opgeplakt. De juiste kleding werd genaaid en toen eindelijk, na een paar weekjes ingespannen bezig geweest te zijn, was bijna alles klaar. Een oude broek en trui werden aan elkaar vast genaaid en in de middag van de 5de december gevuld met cadeautjes voor de hele familie. Het hoofd werd er op gezet en de vermoeide reiziger werd verder aangekleed. Eindelijk was al het werk gedaan. Voorzichtig legde ik hem op ons bed en sloot de slaapkamer gordijnen.

“De vermoeide reiziger” verder lezen

Sinterklaas Avond

Wij vierden bij ons thuis allang geen Sinterklaas meer,  maar een gezellig avondje met wat Sinterklaas snoepgoed, een spelletje en een leuke film, dat gebeurde meestal nog wel.  Een van de eerste jaren dat de zonen, met hun vrouwen op zichzelf woonden en jongste dochter het feest bij aanstaande schoonouders ging vieren, zou dan ook, naar wij vreesden,  een saaie bedoening worden.  Dat konden we toch niet zomaar laten gebeuren, dus viste ik met oudste dochter twee jutte zakken van zolder, togen we naar de dichtsbijzijnde supermarkt en kochten er van ieder soort Sint snoep een paar.  Met een tas gevuld met speculaas- en taaipoppen, chocoladeletters, zakken kruidnootjes, banketstaaf,  suikerbeestjes en borstplaat liepen wij huiswaarts, verdeelden de buit eerlijk over de twee zakken en schreven het volgende gedicht.
“Sinterklaas Avond” verder lezen

Irre God joi das mien vaer

Ver voor de grote supermarkten hun intrede deden, togen mijn ouders, in de herfst, met hun oude Fordje vol geladen met mudzakken aardappelen, richting de Zaanstreek en dorpen in de omgeving van Alkmaar. Het was de tijd dat veel mensen een voorraadje in hun kelder hadden liggen, zodat er genoeg was om de winter door te komen en te wachten tot de nieuwe oogst.

De computer voor individuele users stond nog in de kinderschoenen. Internet bestond nog niet en van TomTom had niemand ooit gehoord. We moesten onze weg zien te vinden met behulp van een wegenkaart en onze Hollandse mond.

Een van de nieuwe klanten, een vrolijke vent uit Egmond aan Zee, legde lang en omstandig uit hoe we moesten rijden, maar in het dorpje aangekomen konden we niet wijs worden uit de hoeveelheid van aanwijzingen.  Om zich heen kijkend zag mijn vader een groepje voetballende jongens en besloot “in het kader van, wie niet waagt wie niet wint” te vragen hoe we moesten rijden.  ” Hallo jongens kunnen jullie mij vertellen waar Arie Zwart woont?” vroeg hij aan het naderende groepje.  Een voor een schudden de jongens ontkennend het hoofd ” Nooit van gehoord” mompelde de brutaalste van het stel.  ” Weten jullie dan misschien wel waar Arie van de Reignek woont? ” probeerde mijn vader nog een keer.  “Irre God joi das mien vaer” riep een van de jongens uit. Arie was toen snel gevonden.